Stormen

Stormen razen. Schepen die onverwoestbaar leken, die ooit met glanzende boegen de golven trotseerden, worden wreed verzwolgen en verdwijnen in de diepten van mijn getroubleerde ziel. Het schuim op de golven maakt gewag van een slepende woede, ontembaar en niets ontziend.
Mijn bewustzijn is een zee, een gestaag verreikende oppervlakte die tot aan de einder reikt. Het herbergt onder die kalme façade hele werelden, levendig en kleurrijk en onverwacht schoon. Er huizen ongekende diepten waar licht slechts een fantasierijke illusie is die je je bedenkt in hoopvolle tijden. Diepten die soms hoogten worden, het licht wegduwen en de aandoenlijke kalmte van het oppervlak vervaarlijk breken in een moeiteloos gebaar. Niemand die weet hoe dat kan. Niemand die er de machinaties achter weet te ontmaskeren.

Onrust.

Geen gewone onrust. Het is een onrust van existentiële aard. De soort onrust die je aan je borst voelt knagen tot je vol wanhoop wenst je gebeente te breken, te klauwen tot je de tanden die je innerlijk verscheuren een weg naar buiten geeft. Je voelt hoe die onrust je opvult met een nihilistische leegte die drukt en drukt en drukt… Het is een vernietigingskracht die zich van binnenuit aan je opdringt en zich een weg baant met als enige bestaansrede de triomf van een verschroeide aarde.
Er is geen weg omheen, er is geen verzet.

Het is op dat moment dat je de eigenlijke existentie van een mens aan den lijve ondervindt. Enkel dan. Niet ervoor, niet erna. De herinnering van dat besef is immers slechts een vage schim, een schim uit de Hades die zijn eigen ontologie niet langer meer kan vasthouden. Die niet langer de waarheid meer kan erkennen -en gelukkig maar- van het feit dat de fundamentele existentie van een mens eenzaam(heid) is.

Eenzaamheid.

Het is geen eenzaam zijn in de gebruikelijke zin van dat woord. Het gaat niet om alleen-zijn als dusdanig. Het gaat erom dat je weet dat jouw zijn fundamenteel dat van een enkeling is. Dat de wereld het podium is waarop jij een soloscène uitvoert. De uitbreiding van je wereld naar anderen zijnden blijkt onmogelijk. In de normale zin van het woord behelst het woord eenzaamheid het verlangen die te doorbreken door in contact te komen met andere enkelingen, van welke ontologische aard ook. In die betekenis is het verlangen wezenlijk onderdeel van de eenzaamheid. De eigenlijke existentie van een mens als eenzaamheid kent dit verlangen niet. Kunnen we immers op dit niveau een verlangen hebben dat niet ingevuld kan worden? Kunnen we verlangen naar iets dat empirisch, epistemologisch onmogelijk is? Je verlangt bijvoorbeeld niet naar wereldvrede, je wenst het. Je wenst rust op momenten dat je weet dat rust niet mogelijk is. Je verlangt er niet naar, want verlangen heeft het potentieel ingevuld te worden.
In de existentiële eenzaamheid bereikt het verlangen naar anderen een epistemologisch nulpunt. Het valt niet te kennen, het valt bijgevolg niet te bezitten. Die eenzaamheid schrijft in jouw bloed de onwisbare tekenen die inhouden dat jij en jij alleen in de wereld bent. Het bewijst op meest radicale wijze dat het andere subject voor jou op existentieel niveau niet bestaat. En als het al mocht bestaan, is je geloven in die andere deïstisch van aard. Het is er geweest, mogelijk zelfs nog steeds, maar van invloed is geen sprake meer.

Die eenzaamheid, die onrust.

Ze tiert welig in mijn binnenste. Ze schreeuwt me de longen uit mijn lijf. Wat te doen als je op deze eigenlijkheid van het zelf geworpen wordt?

Meerijden op de storm, verloren tranen laten die opgaan in striemende regen. Voelen. Niet versagen. Onderwerp blijven van je eigen existentie en aldus doende de onrust en de eenzaamheid transcenderen.

En daarna, ja heel misschien daarna, de wegebbende naschokken omzetten tot creatieve energie, snel. Snel, snel, heel erg snel voor die verloren geraakt en er slechts een schim overblijft, als de mist van een nieuwe morgenstond, een herinnering, niet meer dan dat, van het duister dat zo absoluut heerste luttele ogenblikken ervoor.

De Dirigent

Er was een man in de tram, enkele dagen geleden. Geheel op zichzelf zat hij te hummen en te rommelen. Vanuit de buik leek het wel. Ik stond achter hem, zijn gele vuile jas als een waarschuwend baken van mentale onrust. ‘Pas de chance!’, riep hij tussen twee lange slierten van onverstaanbaar gebrabbel door. Ik leefde met hem mee. Mijn blik gleed weg van zijn gezicht, zijn ogen die gericht waren op een wereld die niet overeenkwam met de mijne. ‘eh Hup, et oui c’est comme ça!’ Ik keek over de hoofden uit. Overal gezichten die staarden naar buiten, of naar binnen. Of binnenwaarts. ‘Eh hup!’ Allemaal mensen op weg naar hun bestemming zonder al te veel lust of leven. Het stemde me triestig. ‘Pas de chance, non non!’
___
Dan gebeurde het. Plots, zonder waarschuwing. Om de één of andere reden werd de man in de gele jas, met zijn ongecontroleerde uitbarstingen van klanken een magistrale dirigent, de meester van een circus. Zijn gele jas werd een showkostuum, de deinende hoofden zijn creaturen die hij met een woord, een hoge klank liet bewegen. ‘Hopla!’ schreeuwde hij geheel onverwacht. Ik keek naar de zee van haar, het af en toe opflitsende roze van een gezicht. Ik stond niet meer in een tram, ik keek naar een spektakel. De man in de gele jas was geen anomalie meer, de mensen die verontrust of geheel emotieloos, zonder veel interesse naar hem keken geen passagiers meer, maar toeschouwers die keken hoe een meester de massa beweegt. ‘Hup hup, et oui, c’est comme ça!’ De man had zijn rechtmatige plaats ingenomen, de deinende hoofden werden ontrukt aan mijn mismoedige gemoed en kregen terug kleur en glans. Tien minuten lang vielen tram en showtent samen, werd het ene beeld door het andere verdrongen, weer overgenomen en opnieuw verglijdend. Met als epicentrum van overlapping de man in de gele jas, zijn zakken, zijn wiegende beweging. Ik keek ademloos toe, een stille glimlach geboren op mijn lippen, met in mijn hoofd applaus, felle kleuren en priemende lichten.
___
De prestatie van die man zweeft al dagen in mijn hoofd. Ik heb de man niet bedankt toen ik van de tram stapte. Misschien had ik dat moeten doen, al vrees ik dat hij me niet zou hebben begrepen. Ik ben vertrokken voor de magie van dat moment voor mezelf zou zijn weggestorven, waardoor ik het -in evenwel steeds minder scherpe tonen- steeds opnieuw kan afspelen. Die meesterlijke scene, dat moment van pure, onverwachte schoonheid. De triomf van de geest over de realiteit. Want wat was dat anders? Die man is en was afwezig hier, geheel afwezig. Ik weet niet waar hij vertoefde of vertoeft, maar op dat moment was ik er zeker van; hij stond niet in een tram. Hij was ergens anders en hij was er duidelijk de baas, de poppenspeler. Overgelopen van een wereld waar hij, net zoals iedereen, geringe controle heeft, een nietig figuur is, naar een wereld waar hij de controle in handen heeft. En voor heel even, tien mooie minuten maar, was ook ik in zijn ban.